Voor hem is dit geen lijstje symptomen, het is zijn been.

De telefoon gaat. Het is half negen ’s avonds, de piek van de dienst. Ik neem op en hoor direct dat er spanning aan de andere kant van de lijn zit.
“Goedenavond, met de triagist van de huisartsenspoedpost,” zeg ik.
“Ja hallo, goedenavond ik maak me een beetje zorgen,” zegt de stem aan de andere kant van de lijn. Zijn stem is schor, onzeker. “Ik heb een wond aan mijn been en die ziet er niet goed uit.”

Terwijl hij praat, open ik het triagescherm. Mijn hoofd schakelt automatisch over naar professioneel luisteren. Niet alleen wat hij zegt maar hoe hij het zegt. De snelheid van zijn woorden. De pauzes. De twijfel.
De wond is drie dagen oud. Ontstaan tijdens het tuinieren, een roestige rand van een bloempot. In het begin leek het onschuldig. “Maar nu is het rood, warm en er komt geel spul uit,” zegt hij. “En het klopt een beetje.”
In mijn hoofd loop ik het protocol langs. Tekenen van infectie: roodheid, warmte, zwelling, pijn, pus. Ik stel gerichte vragen. Heeft u koorts? Nee. Kunt u goed lopen? Dat gaat nog, maar het doet pijn. Is de roodheid zich aan het uitbreiden? Hij twijfelt. “Volgens mij wel.”

Ik hoor de ongerustheid groeien terwijl hij praat. Voor hem is dit geen lijstje symptomen, het is zijn been. Zijn lichaam. Zijn angst dat het erger wordt als hij niks doet.
Ik stel hem gerust, zonder valse beloften. “U doet er goed aan dat u belt,” zeg ik. “Ik ga even met u meekijken wat nu het beste is.”


Aan de andere kant van de lijn wordt het stil. Dat moment herken ik. Dat is het moment waarop mensen hun vertrouwen even bij je neerleggen.
De wond is duidelijk geïnfecteerd. Geen levensbedreigende situatie, maar ook niet iets om tot morgen af te wachten. Ik overleg kort met de dienstdoende huisarts en plan een consult in op de post. Terwijl ik het tijdstip doorgeef, hoor ik de opluchting in zijn stem.
“Dank u wel,” zegt hij. “Ik was bang dat ik zou overdrijven.”
Dat hoor ik vaak. En elke keer denk ik hetzelfde: je belt niet voor niets.
Wanneer ik ophang, neem ik een seconde voordat ik de volgende oproep aanneem. Dit is het onzichtbare werk van de triagist. We zien de patiënt niet maar voelen de urgentie. We werken met richtlijnen maar ook met mensen. Met verhalen, emoties en twijfel.

Voor deze patiënt eindigt het verhaal straks met een arts die de wond bekijkt, schoonmaakt en waarschijnlijk antibiotica voorschrijft. Voor mij is het één telefoontje in een lange dienst. Maar precies dát telefoontje maakt waarom dit werk ertoe doet.
De telefoon gaat weer. En ik neem weer op.

Terug naar blogoverzicht